Begrippen
De NCO-rapportages bevatten begrippen die je misschien niet kent. Daarom lichten we toe wat veelgebruikte begrippen inhouden.
Ook geven we aan of een begrip relevant is voor het primair onderwijs (po) en/of voortgezet onderwijs (vo).
Wat betekenen deze begrippen?
Een cohort is een groep leerlingen met een gemeenschappelijk kenmerk. Afhankelijk van dit kenmerk onderscheiden we verschillende cohorten.
- Instroomcohort: alle leerlingen die in een bepaald schooljaar voor de eerste keer in een groep of leerjaar zaten.
- Bo en sbo: het jaartal dat bij een instroomcohort staat, is het schooljaar waarin de leerlingen voor het eerst in groep 3 zaten. Tot instroomcohort 2019/2020 behoren dus alle leerlingen die voor de eerste keer in groep 3 zaten in het schooljaar 2019/2020.
- Vo: het jaartal dat bij een instroomcohort staat, is het schooljaar waarin de leerlingen voor de eerste keer in leerjaar 3 zaten. Het instroomcohort 2017/2018 bestaat dus uit alle leerlingen die voor de eerste keer in leerjaar 3 zaten in het schooljaar 2017/2018.
- Uitstroomcohort: alle leerlingen die in een bepaald schooljaar voor het laatst in de hoogste groep van de school of het hoogste leerjaar van hun niveau zaten.
- Bo en sbo: een uitstroomcohort bestaat uit alle leerlingen die in een bepaald schooljaar voor het laatst in groep 8 zaten.
- Vo: een uitstroomcohort bestaat uit alle leerlingen die in een bepaald schooljaar hun diploma hebben gehaald (vmbo 4, havo 5 of vwo 6).
Alle leerlingen van groep 8 van een school voor (speciaal) basisonderwijs moeten een doorstroomtoets maken. Hierop behaalt elke leerling een doorstroomtoetsscore. Scholen kunnen zelf een keuze maken uit de door de minister toegelaten doorstroomtoetsen. Vergelijkingen tussen doorstroomtoetsscores van verschillende doorstroomtoetsen kunnen niet gemaakt worden. We vergelijken de doorstroomtoetsscores van een school daarom alleen met de doorstroomtoetsscores van andere scholen die dezelfde doorstroomtoets hebben gebruikt.
In reguliere rapportages werken we met een driejaarsgemiddelde. Door gegevens van drie schooljaren te combineren, kunnen we trends beter zichtbaar maken. We voorkomen hiermee dat een eenmalige uitschieter het beeld verstoort. Het driejaarsgemiddelde berekenen we door eerst voor elk van de drie schooljaren afzonderlijk een gemiddelde te berekenen voor alle leerlingen. Daarna berekenen we het gemiddelde van de drie op elkaar volgende schooljaren samen. Daarbij houden we rekening met de grootte van de groep leerlingen per schooljaar. Een schooljaar met meer leerlingen telt evenredig zwaarder mee. Een gemiddelde van een schooljaar met 100 leerlingen, telt bijvoorbeeld 2x zo zwaar mee als een gemiddelde van een schooljaar met 50 leerlingen.
In de figuren geven we bij driejaarsgemiddelden alleen het middelste schooljaar weer. Zie je in een figuur bijvoorbeeld 2018/2019 staan, dan is het gemiddelde dus gebaseerd op de schooljaren 2017/2018, 2018/2019 en 2019/2020.
Op de domeinen begrijpend lezen, spelling en rekenen-wiskunde worden verschillende schalen in vaardigheidsscores gebruikt. Na de berekening van de absolute leergroei, wordt deze gestandaardiseerd zodat we de leergroei van de verschillende domeinen kunnen vergelijken.
Het landelijk gemiddelde bij de gestandaardiseerde leergroei is altijd 0. Een gestandaardiseerde score van tussen de 0,5 of ‑0,5 beschouwen we als ‘ongeveer gelijk aan het landelijk gemiddelde’.
Tot en met 2018 gold in het basisonderwijs de gewichtenregeling. Dit hield in dat basisscholen extra financiering kregen voor zogeheten gewichtenleerlingen. Dat waren leerlingen met laagopgeleide ouders. In de NCO-rapportages staan ook gegevens over de periode tot en met 2018. Daarbij maken we nog gebruik van het percentage gewichtenleerlingen volgens deze oude regeling.
De onderwijsachterstandenindicator, die in 2019 werd ontwikkeld door het CBS, vervangt de oude gewichtenregeling.
In de figuren maakten we tot en met 2024 een onderscheid tussen leerlingen uit huishoudens met lage en hoge inkomens. Als een kind bij beide juridische ouders woont, telden beide inkomens mee voor het huishoudinkomen. Wanneer een kind bij een van beide ouders woont, telde alleen het inkomen van die ouder mee voor het huishoudinkomen.
Om te bepalen wat hoog en laag is, gebruikten we het modale inkomen van een specifiek jaar. De modale inkomens per jaar waren opgenomen in de technische toelichting van de rapportages.
- Ouders met een laag inkomen: een huishoudinkomen onder het modaal inkomen.
- Ouders met een hoog inkomen: een huishoudinkomen twee keer hoger dan het modaal inkomen.
Leerlingen uit huishoudens met een modaal inkomen namen we niet op in de figuren. Door alleen de uitersten te presenteren, ontstaat een duidelijker beeld van verschillen.
De figuren van de NCO-rapportages bevatten gegevens over een of enkele indicatoren. Een indicator is een kenmerk van leerlingen, van hun resultaten of van een school. Een voorbeeld van een indicator die iets over leerlingen zegt, is geslacht. Het behaalde diploma in het voortgezet onderwijs is een voorbeeld van een indicator voor de resultaten van leerlingen. Indicatoren op schoolniveau hebben betrekking op alle leerlingen van een school (of van een bepaalde groep of leerjaar). Voorbeelden hiervan zijn het percentage leerlingen uit eenoudergezinnen en het percentage geslaagde leerlingen.
In de leergroeirapportages brengen we in kaart wat de vooruitgang in de onderwijsresultaten van leerlingen in een bepaalde periode is geweest. We maken hierbij een onderscheid tussen absolute leergroei en gestandaardiseerde leergroei.
- Absolute leergroei: De absolute leergroei geeft aan hoeveel de vaardigheidsscores van leerlingen toenemen in de periode tussen twee toetsmomenten. We kijken dan naar de leergroei tussen de score op de M-toets en de E-toets in een schooljaar of naar de leergroei tussen de score op de E-toets en de M-toets in het daarop volgende schooljaar. De absolute leergroei van een leerling berekenen we als volgt: de vaardigheidsscore van de laatst gemaakte toets minus de vaardigheidsscore van de eerst gemaakte toets. Bijvoorbeeld: vaardigheidsscore E4 – vaardigheidsscore M4. Per jaargroep kan vervolgens een schoolgemiddelde van de absolute leergroei per toets berekend worden.
- Gestandaardiseerde leergroei : Bij de domeinen begrijpend lezen, spelling en rekenen-wiskunde worden verschillende typen vaardigheidsscores gebruikt. Daardoor kan niet zomaar een vergelijking gemaakt worden tussen de absolute leergroei op de verschillende domeinen. Door te standaardiseren kunnen de scores van de verschillende domeinen wel vergeleken worden. Het landelijk gemiddelde bij de gestandaardiseerde leergroei is altijd 0. Een gestandaardiseerde score die maximaal 0,5 hoger of maximaal 0,5 lager is dan 0, is te beschouwen als een score ‘ongeveer gelijk aan het landelijk gemiddelde’. Een grotere afwijking betekent dat scholen lager/hoger scoren dan het landelijk gemiddelde.
In figuren maakten we tot en met 2024 een onderscheid tussen twee groepen leerlingen:
- Zonder migratieachtergrond: leerlingen waarvan beide ouders in Nederland zijn geboren.
- Niet-westerse migratieachtergrond: leerlingen die zelf of waarvan tenminste een van beide ouders is geboren in Turkije of in een van de landen in Afrika, Latijns-Amerika en Azië (exclusief Indonesië en Japan).
Leerlingen met een westerse migratieachtergrond namen we niet op in de figuren. Door alleen de uitersten (niet-westerse vs. geen migratieachtergrond) te presenteren, ontstaat een duidelijker beeld van verschillen.
Vanaf 2025 gebruiken we een andere indeling en maken we onderscheid tussen de herkomst van leerlingen:
- Nederlandse herkomst: leerlingen die zelf en waarvan beide ouders in Nederland zijn geboren.
- Europese herkomst: leerlingen die zelf of waarvan ten minste één van de ouders is geboren in een ander Europees land. Hieronder valt ook Rusland, maar niet Turkije, Armenië of Georgië.
- Herkomst buiten Europa: Leerlingen die zelf of waarvan ten minste één van de ouders in een land buiten Europa is geboren. Rusland valt hier niet onder, maar wel Turkije, Armenië en Georgië.”
Deze categorieën worden nu alle drie opgenomen in de figuren, waardoor er een meer compleet beeld ontstaat.
De nominale studieduur is het aantal jaren waarin een leerling een bepaalde onderwijssoort doorloopt zonder vertraging of versnelling. Soms verschilt de nominale studieduur per opleiding binnen een bepaald niveau. Wij hebben ervoor gekozen om per onderwijssoort van één nominale studieduur uit te gaan:
- vmbo bb/kb en vmbo gl/tl: 4 jaar
- havo: 5 jaar (Havo na vmbo gl/tl: 2 jaar)
- vwo: 6 jaar
- mbo: 4 jaar
- hbo bachelor: 4 jaar
- wo bachelor: 3 jaar
- wo master: 2 jaar
Het percentage leerlingen dat een opleiding binnen de nominale duur afrondt, doet daar maximaal het nominale aantal jaren over.
De onderwijsachterstandenindicator is een indicator per basisschoolvestiging. De score is een maat voor het risico op onderwijsachterstanden, waarbij een achterstand wordt gezien als een slechtere prestatie dan zou kunnen worden gehaald in gunstigere situaties. Het CBS berekent de achterstandsscore van de basisschoolvestigingen elk jaar op basis van:
- het opleidingsniveau van ouders;
- het land van herkomst van ouders;
- of ouders in de schuldsanering zitten;
- de verblijfsduur van de moeder in Nederland;
- het gemiddelde opleidingsniveau van de moeders van alle leerlingen op de school.
In de rapportages gebruiken we het percentage leerlingen van een school dat bijdraagt aan de achterstandsscore van de school.
De onderwijsachterstandenindicator, die in 2019 werd ontwikkeld door het CBS, vervangt de oude gewichtenregeling , die uitging van het percentage gewichtenleerlingen op een school.
De referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen schrijven voor wat leerlingen moeten kennen en kunnen op het gebied van taal en rekenen. De referentieniveaus gelden voor het basisonderwijs, speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs.
In het (speciaal) basisonderwijs zijn er referentieniveaus voor lezen, taalverzorging en rekenen. Er zijn twee niveaus:
- Fundamenteel niveau: (niveau 1F): dit is het niveau dat het overgrote deel van de leerlingen moet beheersen aan het einde van de basisschoolperiode.
- Streefniveau (niveau 2F bij taal en niveau 1S bij rekenen): dit niveau is hoger dan het fundamentele niveau en geeft aan waar een leerling naartoe kan werken.
Er zijn signaleringswaarden voor het percentage leerlingen op een school dat het fundamentele en het streefniveau moet hebben behaald. Bij de signaleringswaarde voor het streefniveau wordt rekening gehouden met de schoolweging. Deze signaleringswaarden worden jaarlijks vastgesteld.
Elke NCO-rapportage heeft een uniek en fictief nummer. Dit nummer heet het referentienummer. Op het moment dat er vragen zijn over rapportages waarbij de onderzoekers in de data moeten kijken, hebben zij dit referentienummer nodig.
De nummers voor de reguliere rapportages en leergroeirapportages verschillen:
- In de reguliere rapportages is het referentienummer een 5-cijferig nummer. Dit nummer ziet er als volgt uit: basisonderwijs 1xxxx, speciaal basisonderwijs 6xxxx, vmbo bb/kb 2xxxx, vmbo gl/tl 3xxxx, havo 4xxxx en vwo 5xxxx.
- Voor de leergroeirapportages brengen we twee keer per jaar rapportages uit. Het referentienummer begint met het jaar en de maand waarop het rapport beschikbaar is gesteld. Een voorbeeld is 202311xxxx.
Het referentienummer is te vinden aan de binnenkant van het voorblad van het rapport (in de colofon).
Aan het einde van de periode in het (speciaal) basisonderwijs ontvangen leerlingen een schooladvies voor het voortgezet onderwijs. Leerlingen krijgen een van de volgende adviezen:
- praktijkonderwijs;
- vmbo bb;
- vmbo bb/vmbo kb;
- vmbo kb;
- vmbo kb/vmbo gt-tl;
- vmbo gl-tl;
- vmbo gt-tl/havo;
- havo;
- havo/vwo;
- vwo.
Om te bepalen of een leerling onderwijs volgt dat bij zijn advies past, kijken we bij dubbele adviezen naar het laagste niveau van het advies. Bijvoorbeeld een leerling met een advies havo/vwo volgt onderwijs onder het niveau van het advies als deze leerling op het vmbo gt-tl zit, op het niveau van het advies als hij op de havo zit en boven het niveau van het advies als hij op het vwo zit. In de technische toelichting vind je meer informatie over het schooladvies.
De schoolloopbaan is de route die een leerling volgt door het onderwijs. In de rapportages gaan we zowel in op de schoolloopbaan van leerlingen op de eigen school als op de schoolloopbaan van oud-leerlingen in het vervolgonderwijs. Bij de schoolloopbaan op de eigen school kijken we bijvoorbeeld naar zittenblijven en opstroom (dit laatste alleen in het vo). Bij de schoolloopbaan in het vervolgonderwijs kijken we voor scholen voor (speciaal) basisonderwijs hoe hun oud-leerlingen het doen in het voortgezet onderwijs. Bij scholen voor voortgezet onderwijs kijken we hoe oud-leerlingen hun loopbaan vervolgen in het middelbaar beroepsonderwijs, hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs.
De schoolweging zegt iets over kenmerken van de leerlingpopulatie van een basisschool. Net als de achterstandsscore van een school wordt de schoolweging (met een andere formule) berekend op basis van:
- het opleidingsniveau van ouders;
- het land van herkomst van ouders;
- of ouders in de schuldsanering zitten;
- de verblijfsduur van de moeder in Nederland;
- het gemiddelde opleidingsniveau van de moeders van alle leerlingen op de school.
De schoolweging ligt tussen 20 en 40. Hoe hoger de schoolweging is, hoe complexer de leerlingpopulatie is en hoe groter de risico’s op onderwijsachterstanden zijn.
De toetsscores van leerlingen op toetsen uit het leerlingvolgsysteem kunnen worden omgezet naar een vaardigheidsscore. Binnen een domein, bijvoorbeeld rekenen-wiskunde, kunnen we deze vaardigheidsscores met elkaar vergelijken. Hierdoor kunnen we vaststellen hoeveel vooruitgang een leerling boekt tussen twee toetsmomenten.
De absolute vaardigheidsscore van leerlingen op toetsen uit het leerlingvolgsysteem worden ook berekend. Binnen een domein, bijvoorbeeld rekenen-wiskunde, kunnen we deze absolute vaardigheidsscore met elkaar vergelijken. Echter, absolute vaardigheidsscores zijn niet tussen de domeinen vergelijkbaar. Ook zijn de scores tussen verschillende toetsaanbieders niet vergelijkbaar.
In de rapportages vergelijken we de scores van een school met de zogenaamde voorspelde referentiewaarde.
De score van een fictieve school met ongeveer dezelfde leerling- en schoolkenmerken als uw school. Voor de berekening van deze score gebruiken voor de leergroeirapportages gegevens van alle deelnemende scholen en voor de reguliere rapportages gegevens van alle bekostigde scholen in Nederland.
In de technische toelichting vind je meer informatie over de berekening van de voorspelde referentiewaarde en de leerling- en schoolkenmerken die we daarbij betrekken.