Genderongelijkheid in het Nederlands secundair onderwijs

In de meeste Westerse landen wordt het steeds duidelijker dat jongens minder succesvol zijn in hun onderwijsloopbaan dan meisjes. Dat jongens gemiddeld een lager opleidingsniveau hebben dan meisjes is vooral zichtbaar onder leerlingen met een kwetsbare sociaaleconomische en niet-Westerse achtergrond én in scholen met een hoger aantal jongens. Geeft de gender-cultuur onder leeftijdsgenoten een mogelijke verklaring? Deze vraag wordt onderzocht door het team onderzoekers onder leiding van prof. dr. Gerbert Kraaykamp en projectleider dr. Margriet van Hek van de Radboud Universiteit in Nijmegen.

Bron: NCO Logo PASS

Met dit onderzoek wordt in kaart gebracht in welke mate de gender-cultuur onder leeftijdsgenoten anti-academische houdingen, gedrag en cijfers op Nederlandse middelbare scholen verklaart. Peer-interactie met klasgenoten en vrienden op school heeft een zeer grote invloed op de sociale en emotionele ontwikkeling van leerlingen en daarmee ook op schoolprestaties. Met name in de puberteit is conformeren aan groepsnormen om afwijzing te voorkomen erg belangrijk. Waar ouders en docenten over het algemeen een pro-academische houding stimuleren, kan dat juist weer worden tegengewerkt door een heersende anti-academische groepsnorm in de klas of op school. Met name jongens nemen in het voortgezet onderwijs sterke anti-academische houdingen en gedragingen aan. De verschillen in schoolprestaties zijn verder zichtbaarder onder leerlingen met een kwetsbare sociaaleconomische status, een niet-Westerse achtergrond en in scholen met een hoger aantal jongens. Deze gender-verschillen in schoolprestaties hebben vergaande individuele en maatschappelijke gevolgen.

Data-verzameling en- koppeling

Het onderzoeksteam verzamelt data van zestienjarigen in het vmbo, havo en vwo. Met deze data wordt onderzocht of leerlingen beïnvloed worden door klasomgeving en/of de schoolcultuur. Deze verzamelde data worden vervolgens gelinkt aan longitudinale informatie over studentprestaties die door de school zelf zijn geregistreerd en die van het CBS-register. Dit laatste register bevat informatie over de geselecteerde leerlingen, hun ouders, klasgenoten, docenten en schoolsamenstelling. 

Kraaykamp en Van Hek slaan met dit project een bijzondere weg in omdat op dit thema van peer-gendercultuur op Nederlandse scholen vooralsnog  weinig kwantitatief onderzoek is gedaan. Tegelijkertijd slaan zij een brug naar voorgaand kwalitatief onderzoek op dit thema.\

Hieronder geven we meer informatie over het onderzoek voor de betrokkenen.